zondag 7 november 2010

Armoede.

Het is alsof het me nu pas begint te dagen… na twee maand ondergedompeld te zijn geweest in het leven in Ghana. Het lijkt wel alsof een sluier van euforie (ik loop eindelijk op Afrikaanse bodem!) de realiteit voor mij al die tijd romantiseerde. Nu pas wordt ik steeds meer geconfronteerd met harde werkelijkheid in Ghana: armoede.
De verpletterende armoede, ze is wel degelijk aanwezig. En niet in lichte mate, meer nog, je kan je hoofd er niet van wegdraaien, en je kan je ogen er niet voor sluiten.
De kleine kinderen in de broeierige hitte die putten in de zandwegen trachten te herstellen, en mij dan smeken om helder water of 1 ghanese cedi. De blinde vrouwen aan het open raam van je taxi, aan een schouder hangend van een jong kind dat als nieuw paar ogen moet dienen, die samen bedelen om een muntstuk. En dan een schreeuwerig bord aan de rand van de markt, dat de werkelijkheid die zich aan zijn voeten afspeelt overschouwt en veroordeelt met de woorden: ‘streetlife retards development.’

Het leven van een Ghanees wordt gedomineerd door de werkwoorden struggling, surviving, coping,…Het leven houdt in dat je tracht de volgende dag te halen. Ik heb nog geen enkele Ghanees ontmoet die het makkelijk heeft, die op zijn lauweren rust, die kwistig kan omspringen met zijn budget. Van psychologisch welzijn is hier dan ook geen sprake. Depressie, burn out,…concepten die hier niet aan de orde zijn. Opstaan en verder gaan, niet klagen en werken, want het is een zaak van leven of dood.
Ik ben er dan ook van overtuigd: Ghanezen zijn ontzettend straffe, sterke mensen! Wij kunnen er heel wat van leren. Zo levenslustig, vriendelijk, ze lachen hun hagelwitte tanden bloot en klagen doen ze nooit! Ook al hebben ze niet veel, ze delen alles. Het zijn fantastische mensen!

Ook in mijn gastgezin is geld niet vanzelfsprekend. We hebben een huis van bakstenen en beton, en alles wat een mens nodig heeft is hier aanwezig, zelfs een beetje luxe (elektriciteit en tv), maar aan het eind van de maand stuurt de zoon die in Frankrijk werkt toch een klein budget op, om de schoolgelden te kunnen financieren. Dit gezin overleeft van de opbrengst van de een winkeltje op de culturele markt, waar er twintig winkels van dat kaliber op honderd vierkante meter naast elkaar bestaan. Vrijwilligers in het gastgezin zijn geen financiële opdoffer, maar een winstbron beteken ik ook niet voor hen. Het hoofd boven water houden is niet elke maand een evidentie. Men plant dan ook niet vooruit, de dag van vandaag is wat telt. Ook mijn gastbroers en -zussen leven niet vooruit. Voor mij is dit een hele aanpassing, want ik leef voortdurend in de toekomst, soms zelfs te veel, ik ben altijd nieuwsgierig naar wat komen zal! Vaak kunnen mijn broer en zus niet antwoorden als ik vraag of ze meewillen op een uitstap, door de onzekere financiële situatie.

De armoede grijpt je bij de keel, ontroert, en laat je niet los. Ik kan het dan ook niet laten dit onderwerp aan te snijden en er urenlange gesprekken over aan te knopen met collega’s, vrienden vrijwilligers,…Collega’s vertellen me dat, hoe hard je ook werkt, je geen loon naar werken krijgt, want ontzettend ontmoedigend werkt. Dit contrasteert ook met België. De gesprekken leiden steeds opnieuw tot dezelfde harde conclusie: ja, er is geld in Ghana, er is een instroom van financiële hulp, maar meer nog dan geld is er sprake van corruptie. De financiële middelen bereiken nooit hun doel.

Ik vind het dan ook vreselijk als ik mezelf opnieuw tegen de andere vrijwilligers hoor vertellen hoe zeer ik kaas mis, of sla,…Ik mag me ongelooflijk gelukkig prijzen dat ik bij toeval in België ben geboren. Ik weet nu al dat ik het moeilijk zal hebben met de overvloed in België. Maar ons land zit gewoon helemaal anders in elkaar. Consumptie en economie, de overvloed en het materialisme, alles heeft een geheel andere verhouding.
In ons land zijn we ons gewoon niet bewust van onze levensstandaard, ons grote geluk, onze overvloed aan materiaal, eten, geld, en de welvaart. Ik leer hier enorm relativeren, en alles in perspectief plaatsen.
Ik heb puur toevallig zo veel geluk gehad in België te zijn geboren in een goede omgeving, zo veel toeval. Om die reden wil ik ook orthopedagoge worden. Ik heb het getroffen, en met dat feit wil ik de doelgroepen die het minder hebben getroffen helpen in het leven. Dit is mijn roeping, mijn levensdoel. Niet toevallig zijn de doelgroepen van een orthopedagoog mensen waarvoor het leven een strijd is, een voortdurend worstelen: personen met een beperking, kansarmen, mensen die middelen misbruiken en de kinderen in bijzondere jeugdzorg. Hier in Ghana wordt mijn studiekeuze nog maar eens bevestigd: dit is wat ik wil doen, moet doen met mijn leven.

In Tamale wordt opvallend veel aan sensibilisatie gedaan. Het straatbeeld wordt gedomineerd door borden die boodschappen in je strot rammen: ‘straatkinderen verdienen een beter leven’, ‘mensen met een beperking verdienen het niet geslagen te worden’. Vaak betreft het ook het gebruik van condooms, en andere gezondheidskwesties. Ook via radio en televisie wordt aan sensibilisatie gedaan. Maar wanneer ik de realiteit beschouw, merk ik dat de sensibilisatie overduidelijk nog een hele lange weg te gaan heeft. Het is dan ook mijn intentie een steentje bij te dragen via een project op de Yumba special school.

Bovenstaande tekst beschrijft de context waarin de Yumba Special School tracht te overleven, tracht te sensibiliseren, en kinderen met een beperking de kans geeft hun recht op onderwijs op te eisen.
Het idee om met deze kinderen aan de slag te gaan, is naar hier gehaald door de blanken. Indien zij deze orthopedagogische ideeën niet naar Afrika hadden verscheept, was de situatie voor deze doelgroep nog steeds even abominabel. Het houdt bijgevolg nu ook geen steek onze handen ervan af te trekken, te eisen dat ze zelf verder de weg plaveien en uitzoeken, en hen te laten ploeteren in de modder die deze context inhoudt. Het is dan ook mijn intentie de school te helpen op zijn weg, eerder dan vanuit mijn kader kritische bedenkingen op te werpen, te beoordelen hoe ze worstelen en zaken over het hoofd zien. Eerder dan de werkelijkheid te bekritiseren, wil ik deze school meer riemen aanbieden om mee te roeien, want ze worstelen zelf zo ontzettend hard om met de beperkte middelen en structuur iets goed aan te bieden aan de kinderen.
Het is een schipperen tussen enerzijds mijn sinterklaasrol, en anderzijds het aanbieden van handvaten en materialen die echt waardevol zijn op lange termijn.
Allemaal boeiende puzzels die me dag in dag uit bezig houden. Het reflecteren over de werkelijkheid hier blijft nog steeds één van mijn mentale hoofdactiviteiten op deze reis. Soms vermoeiend, en ik vergeet af en toe ook eens op een heel nuchtere manier de werkelijkheid tot mij te laten komen. Maar het is zo leerrijk, boeiend, en verrijkend, het beste wat ik ooit heb gedaan.


3 projecten.

Aangezien ik deze stage loop in het kader van mijn opleiding tot orthopedagoge wordt van mij verwacht dat ik een dienstbaar project uitwerk voor mijn organisatie.
De eerste maand trachtte ik vooral te observeren, oren en ogen open te houden, veel te communiceren en alles te bevragen. Op die manier poogde ik te identificeren op welke manier ik een meerwaarde voor de school kon betekenen.

De school neemt als organisatie een sensibiliseringsfunctie op zich. Sinds dit jaar plant men bezoeken aan de omringende dorpen en via workshops snijdt men onderwerpen aan als ‘wat is een mentale beperking, wat zijn de oorzaken en hoe ga je ermee om’, maar ook ‘gezonde voeding’ en ‘sport en spel’. Op deze manier tracht men discussie op te wekken, en brengt men kennis en wetenschap in de dorpen, waar men nog op primitieve wijze leeft (hutten van leem, geen elektriciteit, en een blanke is een ware attractie). Deze workshops bieden ook een handig handvat om taboe en misverstanden te bevechten, om een voorbeeld te geven: de mensen in de dorpen leven nog steeds met het idee dat een mentale beperking een vloek is, een straf, en dat er een kuur voor bestaat.

Deze context was het uitgangspunt van mijn sensibiliseringsfolder.
Aangezien het de eerste maal was dat we naar een dorp trokken met de intentie kennis te verspreiden over een mentale beperking, dook ik in de wetenschappelijke literatuur, en voorzag ik mijn collega’s van materiaal. Samen gingen we aan de slag om een document samen te stellen, met de basiskennis over beperkingen. De samenwerking was essentieel. Ik had de bal helemaal misgeslagen indien ik niet de hulp van collega’s had gehad. Blijkbaar moest alles bijzonder basaal worden aangebracht: bijvoorbeeld: sla uw vrouw niet als ze zwanger is, eet gezond, ga naar het ziekenhuis om te bevallen,… Zaken zoals ‘een kind met een beperking heeft structuur nodig’ waren totaal niet aan de orde. Toch vond ik het belangrijk te benadrukken dat slechts in bepaalde gevallen de oorzaak van de beperking kan worden geïdentificeerd, en dat de schuld hoegenaamd niet altijd bij de vrouw ligt.

De workshop bracht heel wat commotie op gang, en bereikte echt zijn doel. We hadden enkele leerlingen meegenomen, die de dorpelingen verrasten met drum-en dansoptredens. Eén van hen zette ons verhaal kracht bij door te getuigen: zij werd op twaalfjarige leeftijd getroffen door een auto-ongeluk, en maakte sindsdien geen mentale vooruitgang meer.
De dorpelingen toonden zich geïnteresseerd en stelden vragen over de maximum leeftijd die een vrouw mag hebben om een kind te baren (kinderen betekenen hier rijkdom, dus hoe meer hoe liever).
De workshop was een schot in de roos.

Op basis van deze ervaring ben ik nu bezig aan het ontwerp van een sensibiliseringsfolder, waarmee de naambekendheid van de school beoog, en het taboe uit de wereld wil helpen door de oorzaken van een mentale beperking te bespreken, en tegelijk ook aan de gezondheidsbevording wil doen. Door de school bekend te maken hoop ik meer kinderen de kans te geven hun recht op onderwijs uit te oefenen, en ze van achter de gesloten muren van hun huizen te halen.

Als tweede vul ik mijn tijd ook met het ontwerpen van pictogrammen voor in de klas. Een collega die vijf jaar in Noorwegen studeerde, sprak me aan over het gebrek aan materialen in de school, en we delen de bezorgdheid over het gebrek aan structuur voor de kinderen. Een dag- en weekschema lijken me onontbeerlijk.

Mijn derde en laatste project houdt in dat ik stageplekken zoek voor de leerlingen van de vocational class. De directrice vindt het belangrijk dat deze kinderen basiscompetenties aangeleerd krijgen om zo onafhankelijk mogelijk te overleven in deze harde realiteit. Bovendien wil ze dat elk van hen een job aangeleerd krijgt die hen voorziet van een basisbudget. Gebaseerd op haar vragen en ideeën identificeer ik van elke leerling de talenten en toekomstdromen, bekijk ik de thuiscontext en mogelijkheden,… We gaan aan de hand van workshops op zoek naar een geschikte stage voor elke leerling: onder andere carwash, verkopen van zelfgemaakte batikdoeken en geweven deurmatten, keukenhulp,…

Met deze boeiende en uitdagende projecten vul ik mijn dagen in de school. Het is leerrijk om met mijn collega’s de uitdagingen aan te gaan.

1 opmerking: